De ontwikkeling van de schaatsen (1 van 5)

Nederlanders of Noormannen?
Hoe de kunst van het schaatsen is ontstaan en hoe die zich heeft verspreid, is onduidelijk. Chauvinistisch als de Nederlander is, neemt hij doorgaans voetstoots aan dat het schaatsen een Nederlandse vinding is en wij het via Engeland (Willem III) en emigratie naar landen als de Verenigde Staten en Canada hebben gebracht. In Scandinavië heerst echter de opvatting dat het schaatsen is afgeleid van het sneeuwlopen of skiën en dat de kennis daarover naar de Lage Landen is gekomen via de invallen van de Noormannen. Hoe dan ook, duidelijk is dat er al in de Middeleeuwen volop baantje werd gereden.

Glijbenen of glissen
Er bestaat een handschrift uit 1180 waarin William Fitzstephen, secretaris en biograaf van de historisch belangrijke Engelse kanselier/aartsbisschop (Sint) Thomas Becket, het winterse Londen beschrijft. Hieruit blijkt dat er toen in elk geval nog geen gebruik werd gemaakt van met ijzer beslagen schaatsen.
Hij schreef namelijk het volgende: "(...) als de grote plas of moeras (waarin aan de noordelijke kant de stadsmuren staan) is bevroren, spelen veel jongelui op het ijs (...) sommigen binden botten aan hun voeten (...) sommigen glijden zover als ze kunnen en zichzelf vooruit schuivend met een kleine puntige stok, glijden ze soepel als een vogel door de lucht of een pijl uit een kruisboog (...)".




Nadat in de negentiende eeuw belangstelling ontstond voor ons verleden werden dergelijke botten op veel archeologische vindplaatsen in Europa opgegraven. Het gaat doorgaans om de middenvoetsbeenderen van paarden, koeien, schapen e.d., die voor het glijden geschikt waren gemaakt door ze vlak te slijpen en te voorzien van enkele doorboringen om ze te bevestigen. Uit onderzoek is duidelijk geworden dat ook het gebruik van botten als glijders (ook: glissers of glissen) onder sleden een algemeen gebruik is geweest. Hoe het ook zij, dat er een ontwikkeling is geweest van glijden op botten naar schaatsen op met ijzer beslagen houten voetstapels, lijkt vanzelfsprekend.

Circa 1225
In het Amsterdam Museum ligt de oudste tot nog toe in Nederland opgegraven schaats. Deze schaats werd in 1979 gevonden bij het blootleggen van een complete Middeleeuwse smederij aan de Amsterdamse Nieuwendijk. Hij is gedateerd op de eerste helft van de dertiende eeuw en dus circa achthonderd jaar oud.



Op de foto zien we de resten van een houten voetstapel die aan de onderkant is voorzien van een circa 1 cm breed glij-ijzer. Aan de voor- en achterkant is het ijzer omgeslagen om het hout vast te klemmen. De voorkant heeft een oplopende boegvorm en de achterkant is recht. Het gaat onmiskenbaar om een constructie die is afgeleid van de hierboven genoemde glissen. Deze vondst geeft enig houvast. Maar omdat de constructie van de schaats in de loop van de eeuwen slechts langzaam is veranderd en nooit de moeite waard is gevonden om uitvoerig te worden beschreven, moeten we voor het vervolg onze toevlucht nemen tot wat ons in de vorm van prenten en schilderijen is nagelaten. Deze afbeeldingen hadden echter niet tot doel de constructies als zodanig te verbeelden en zijn daarom zelden voldoende gedetailleerd om tot stellige uitspraken te komen.

Rond 1500
In het befaamde drieluik 'De tuin der lusten' van Jeroen Bosch (1450-1520) is het volgende detail te zien.

detail uit tuin der lusten

Het is het enige schilderij uit die tijd dat redelijk gedetailleerd laat zien hoe de schaatsen er tegen het eind van de middeleeuwen er uit zagen en hoe ze werden ondergebonden. De afgebeelde schaatsen laten zien dat het schaatsijzer smaller is geworden en dat althans de omslag aan de voorkant heeft plaatsgemaakt voor een kram. Onduidelijk is hoe het hout aan de achterkant aan het ijzer is bevestigd. Het schilderij laat duidelijk zien dat de schaatsen met behulp van leertjes en veters onder de voeten zijn bevestigd. (In de schilderijengalerij is het volledige drieluik te zien).

In 1498 publiceerde pater Jan Brugman (die we kennen van het gezegde 'praten als Brugman') het boekje 'Vita alme virginis Lydwine'. Het gaat over de in 1890 heilig verklaarde Lidwina van Schiedam, die na een ongelukkige val op het ijs ondanks helse pijnen haar geloof bleef uitdragen. Het verhaal wordt verluchtigd met de onderstaande prent.



Het lijkt erop dat zij soortgelijke schaatsen aan heeft als Jeroen Bosch schilderde. Helaas kunnen we op de prent niet goed zien hoe ze er precies uitzien, maar uit de houding van de schaatsenrijder in de achtergrond kunnen we wel afleiden dat aan het eind van de middeleeuwen de schaatsen toch al zodanig van constructie waren dat je er slagen mee kon maken. Overigens toont de prent een voorval dat circa 100 jaar daarvoor had plaatsgevonden. Het prentje zal dan ook meer zeggen over de schaatsen van rond 1500 dan over die van rond 1400.

1553
Dit is een detail van een gravure uit 1553, gemaakt door Jan Galle aan de hand van een tekening van Pieter Brueghel de Oude (1564-1637). De schaatsen hebben veel weg van die bij Bosch, maar lijken al wat 'krulliger' te worden.



Elders in de gravure blijkt dat de vorm van het voetstuk driehoekig is en dat de schaatsijzers in een verticale gleuf aan de onderkant van het voetstuk zitten. Hoe het ijzer aan het voetstuk is vastgemaakt is ook hier onduidelijk.

Kleine ijstijd
De beelden uit de zestiende eeuw geven nog een primitief soort schaatsen weer. Uit wat Hugo de Groot (1583-1645) hierover schrijft in zijn 'Vergelijking der Gemeenebesten' blijkt dat er ook in het begin van de 17e eeuw al op smalle ijzers werd geschaatst. Hij heeft het namelijk over "(...) houten schaatsen (...), welke van onderen van een dun ijzer, een vinger breed, en zoo lang als de voetzool zelve, voorzien zijn". Daarna volgt een lofzang op de snelheid waarmee de schaatser zich verplaatst en het plezier dat hij daaraan ontleent. Het beeld verandert in de zeventiende eeuw echter ingrijpend. Het lijkt erop dat de schaats in vrij korte tijd in belangrijkheid toenam en daardoor meer aandacht kreeg van de makers ervan. Deze ontwikkeling wordt doorgaans verklaard door te wijzen op de uitzonderlijk strenge winters van die tijd, waardoor deze periode wel wordt aangeduid als ‘kleine ijstijd’. Uit de volgende afbeeldingen blijkt dat in de zeventiende eeuw de grondslag werd gelegd voor de modellen die in Nederland tot in het midden van de 20e eeuw zijn gemaakt.

1614
Dit is een detail uit een gravure van Roemer Visscher uit 1614.

 

De schaatsen zijn hun primitieve vorm duidelijk ontgroeid. De schuivers van weleer zijn gracieuze schaatsen geworden met hoogoprijzende slanke halzen. Het bindsel is vereenvoudigd tot een teen- en een hakband die met lint worden samengebonden. Het bindsel ziet er al uit zoals dat ook nu nog voor eenvoudige schaatsen wordt toegepast.

1667
Vijftig jaar later maakte een zekere Balduinus een soort catalogus van schoenen waar hij onder andere deze tekening in opnam. Hier is goed te zien dat er in een halve eeuw aan de constructie vrijwel niets meer is veranderd.






(ca. 1118-1170)




De vroegste afbeeldingen
van schaatsers
op een Zweedse kaart
van 1539
(Carta Marina)





Een replica
die het gebruik van glissen
laat zien
1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  volgende
home | donaties | sitemap | copyright | contact

© 2002- The virtual Ice Skates Museum. All rights reserved.