De ontwikkeling van de schaatsen (4 van 5)

Van regionale naar nationale modellen

De industriële revolutie had tot gevolg dat de Hollandse smeden met het maken van schaatsen stopten terwijl de Friese smeden zich daarin juist specialiseerden. In eerste instantie verbreedden zij hun aanbod door een aantal Hollandse modellen in de collectie op te nemen, maar al snel werd het assortiment beperkt tot drie hoofdmodellen: Hollandse zwierschaatsen, Friese doorlopers en houten (of Friese) noren.

Moderne Friese schaatsen
Rond de wisseling van de 19e naar de 20e eeuw verdwenen de krullen dus als gevolg van veiligheidsoverwegingen en de industriële revolutie. De fraaie handgesmede krullen werden vervangen door fantasieloze platte krullen van plaatstaal. De nieuwe modellen werden in Nederland aangeduid als model Wichers-de Salis, afgeleid van de namen van Mr. J. Buttingha Wichers en G. baron De Salis, beiden secretaris van de in 1882 opgerichte Nederlandse Schaatsenrijders Bond (de latere KNSB). Elders in de wereld sprak men echter van Salchow-krullen, omdat het deze befaamde Zweedse kunstrijder was die in zijn shows van dit soort schaatsen gebruik maakte. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat de Wichers-de Salis-krullen door hen persoonlijk zijn bedacht. Meer voor de hand lijkt te liggen dat zij het idee in het buitenland hebben opgepikt en dat zij dit model schaatsen uit veiligheidsoverwegingen in Nederland hebben gepromoot. De Nederlandse schaatsenmakers hebben op deze ontwikkelingen ingespeeld en de aanvankelijk naakte krullen met hout bekleed om de naar voren uitstekende ijzers beter te beschermen tegen krom buigen. Zo ontstond de Friese doorloper met houten veiligheidskrul. Omdat deze schaatsen kenmerken vertonen van zowel de traditionele Friese als Hollandse schaatsen zou met recht ook kunnen worden gesproken van een Nederlandse schaats.
De houten Friese doorloper met veiligheidskrul werd in Nederland tot het midden van de jaren-60 van de 20e eeuw geproduceerd en gebruikt. En zelfs in de 21e eeuw worden ze nog als kinderschaatsen verkocht. Ze komen nu echter uit Oost-Europa of het Verre Oosten. Maar de verkoop van kunststofschaatsen voor beginners neemt hand over hand toe. Hoewel deskundigen het er over eens zijn dat het beter is het schaatsen te leren op dit soort lage schaatsen, heeft de toegenomen welvaart ervoor gezorgd dat Sinterklaas al op zeer jonge leeftijd de schoen vult met moderne lage noren dan wel met hockey- of kunstschaatsen.

Nederlandse houten hardrijdersschaatsen
Anders dan de Hollandse smeden hadden de Friese smeden niet veel belangstelling voor het uiterlijk van hun schaatsen. Zij lijken veel meer geïnteresseerd te zijn geweest in de prestaties die ermee konden worden bereikt. Friesland was nu eenmaal een 'land' van hardrijders. Bekend is dat er al in 18e eeuw georganiseerde wedstrijden werden gehouden. Er werd geschaatst op twee naast elkaar gelegen banen van circa 4 meter breed en 80 meter lang. Als er over een grotere lengte moest worden gestreden werd aan het eind gekeerd en in de andere baan teruggereden. Er werd doorgaans gereden volgens een afvalsysteem. Omdat de wedstrijden populair waren vanwege de mooie prijzen die er te verdienen waren, duurden de wedstrijden vaak een hele dag en soms zelfs wel twee dagen.
Deze vorm van hardrijden vroeg om een klauwende stijl van schaatsen. De voorwaartse gang moest worden ontwikkeld door de voorvoet en dit vereiste korte, sterke schaatsen. Zo werden de Friese schaatsen met korte halzen ontwikkeld. Naarmate de banen langer werden, werden de ijzers verlengd en smaller. De schaatsen werden zelfs van 'staartjes' voorzien om de lange ijzers voldoende tegen buigen te beschermen. Al deze verbeteringen droegen bij aan het vermogen om langere streken te maken. Het resultaat waren de Friese laagspringers, echte hardrijdersschaatsen, waaruit later de houten noor zou worden ontwikkeld.
Om veiligheidsredenen werden de halzen van de schaatsen lager en lager en tenslotte werden de houtjes zo functioneel als maar kon. De houtjes kregen het model van de buizen van de metalen Noorse schaatsen en daarmee deed de 'houten noor' zijn intrede. Deze schaatsen werden ook wel Stheemann-schaatsen genoemd naar de ontwerper. Er zijn er tienduizenden van verkocht. De 'combischaats' van Nooitgedagt, die een combinatie was van een houten en een metalen noor wordt algemeen gezien als de beste toerschaats die ooit door de Nederlandse schaatsenindustrie is gemaakt. Maar, helaas, hij markeert ook de zwanenzang van diezelfde industrie. Nooitgedagt deed in 1965 zijn schaatsenfabriek op slot.


Stheemann schaatsen of houten noren

combischaatsen

De productie van houten schaatsen in Nederland was uniek. Door de uitgekiende productiemethoden konden de prijzen laag blijven. Daardoor bleef de Nederlandse schaatsenindustrie nog lang overeind. Maar de verkoop van schaatsen hangt samen met de aanwezigheid van ijs. In goede winters konden de schaatsen dan ook niet worden aangedragen, terwijl ze in slechte winters op de zolders van de fabrieken bleven liggen. Het schaatsenbedrijf was economisch dan ook onzeker en risicovol. Bovendien ontstond in het midden van de 20eeuw een moordende concurrentie met bedrijven uit minder welvarende landen. Het ene na het andere bedrijf staakte de productie. Uiteindelijk sloot in 1990 ook de laatste Friese fabriek van houten schaatsen definitief zijn deuren.

Noorse hardrijderschaatsen
In tegenstelling tot houten schaatsen hebben metalen schaatsen het voordeel van vormvastheid. De eerste metalen hardrijderschaatsen bestonden al rond 1885 en werden door vrijwel alle hardrijders van die tijd (zoals Jaap Eden) gebruikt. Omdat de schaatsijzers van hardrijderschaatsen smal zijn, is het belangrijk dat ze over de volle lengte goed worden ondersteund. Na enig experimenteren ontdekten de Noren Paulsen en Hagen dat dit het beste kon worden gedaan door de 'messen' in ronde buizen te monteren. Een buis is zowel sterk als licht. Zij waren echter duur en zeker aan het begin van de 20e eeuw slechts weggelegd voor een kleine kring van relatief welgestelde liefhebbers. De 'stalen noren', zoals ze werden genoemd, verdrongen in het midden van de 20e eeuw de houten schaatsen.

Wetenschappelijke bemoeienissen
Nadat in de tweede helft van de 20e eeuw de ene na de andere 400-meterbinnenbaan werd geopend, was het hek van de dam. De condities in een hal konden beter worden bewaakt en de ijsmeesters deden hun uiterste best optimale ijskwaliteit te leveren. De Nederlandse schaatsenindustrie werkte steeds nauwkeuriger en er kwam aandacht voor een betere pasvorm van zowel schoenen als kleding. Universiteiten gingen zich interesseren voor het fysiologische aspect, hetgeen leidde tot de klapschaatsen die nu niet meer zijn weg te denken, maar die nog maar pas in 1997 voor het eerst in een toernooi werden gebruikt. Windtunnelproeven dragen bij aan een optimale houding maar ook aan allerlei slimmigheden om de luchtweerstand te verminderen. Er wordt geëxperimenteerd met keramische materialen, met het verwarmen van de ijzers, met het buigen van de ijzers voor beter bochtenwerk, met het carven ervan en met slijpen van de ijzers tot ongelooflijk geringe waarden. Het lijkt alsof er geen grenzen zijn.


Hollandse krulschaatsen



Hollandse doorlopers met krullen van
het model
Wichers-de Salis



'gewone' Friese schaatsen
'met eikeltjes'
(het ijzer loopt
aan de achterkant
niet door)



Friese doorlopers
met houten veiligheidskrul



Friese laagspringers
(met extra
lange ijzers)



Friese (of houten)
noren
(het hout heeft de vorm van de buizen van de 'stalen' noren)



Hollandse zwierschaatsen
(ook hier is de constructieve invloed van de 'stalen' noren zichtbaar)



Friese doorlopers
met 'houtjes'
van kunststof



Nederlandse 'noren'
met buisframe en schoenen met thermoplastisch vervormbare binnenschoenen



Nederlandse
'noren' met klapmechanisme
vorige  |  1  |  2  |  3  |  4  |  5  |  volgende
home | donaties | sitemap | copyright | contact

© 2002- The virtual Ice Skates Museum. All rights reserved.