Krulschaatsen

Schaatsenmakers maakten onderscheid tussen schaatsen met hele en met halve houtjes. Bij schaatsen met 'hele houten' waren de schaatsijzers van voor tot achter geheel met hout bekleed. Bij 'halve houten' was het deel dat voor de schoen uitsteekt 'kaal'. Alle schaatsen met 'half hout' worden door verzamelaars in principe tot de krulschaatsen gerekend. Daardoor kan de 'krul' verschillende vormen hebben: van een eenvoudig min of meer oplopend puntje tot een al dan niet breed uitgesmede 'lepel' of een sierlijke krul.

Nederlandse krulschaatsen weerspiegelen de welvaart van de 'gouden' 17e eeuw, waarin het ijsvermaak een ongekende ontwikkeling doormaakte als gevolg van langdurige vorstperiodes in wat de kleine ijstijd is gaan heten. De economische welvaart van die tijd bracht onder andere met zich mee dat de smeden zich op innovatieve wijze konden uitleven op de productie van steeds fraaiere schaatsen. De schitterende ijsgezichten van de grote schilders uit die tijd spreken boekdelen.

Aanvankelijk was schaatsen weinig meer dan een vorm van tijdverdrijf. Men gleed wat rond, maakte een babbeltje, dronk een glaasje of deed een spelletje. Maar, zoals het met alle vaardigheden gaat, ontwikkelden velen een zekere bedrevenheid. Sommigen konden hun initialen of die van hun geliefden in het ijs krassen; anderen gebruikten de bevroren wateren om te laten zien hoe snel ze wel niet een afstand konden overbruggen. En de wat serieuzere schaatser stelde al ras wat meer eisen aan zijn materiaal.

Allengs werden de alledaagse schaatsen door de smeden aan de wensen van hun eigenaren aangepast en zo ontstonden er speciaal ontworpen modellen voor enerzijds het zwieren, schoon- en kunstrijden en anderzijds voor het om het om het hardst rijden van een bepaald traject of baan.