Baanschaatsen

Het baanschaatsen wordt gekenmerkt door het rijden van rechte stukken, al dan niet om deze zo snel mogelijk te overbruggen. Er wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen toerschaatsen en hardrijden. In principe worden daar dezelfde schaatsmodellen voor gebruikt, maar het spreekt vanzelf dat aan de schaatsen voor het rijden van wedstrijden hogere eisen worden gesteld. Alle baanschaatsen hebben relatief lange, smalle en vlakgeslepen schaatsijzers. Voor de schaatsenmaker was het een uitdaging om zo ze licht mogelijk maar toch robuust uit te voeren. Zo ontstonden de modellen met in buizen gemonteerde schaatsijzers van tegenwoordig.


Friese baanschaatsen

In de 20e eeuw was de Friese doorloper de Nederlandse baanschaats bij uitstek. tot eind 1800 werden door plaatselijke smeden zowel in Friesland als Holland (in ruime zin) schaatsen gemaakt. Maar toen rond 1875 de industrialisatie begon door te zetten lieten de Hollandse smeden het schaatsenmaken vallen. De Friezen bouwden deze activiteit daarentegen juist uit tot een bloeiende bedrijfstak met centra in Akkrum, Warga en IJlst. Friese schaatsen waren van oudsher rank en licht, maar wel wat eenvormig. Hollandse waren robuuster en meer gedrongen en hadden van streek tot streek iets eigens. Aanvankelijk eindigde bij beide soorten het ijzer midden onder de hak. Dit hing samen met de manier waarop het ijzer aan de voetstapel werd bevestigd, namelijk met een schroef die van bovenaf in een aan het ijzer gesmeed oog werd gedraaid. De Hollandse smeden brachten hier als eersten verandering in door een constructie te ontwikkelden die het mogelijk maakte het ijzer door te laten lopen tot het eind van het hout. Bij het concentreren van de productie in Friesland werden de eigenschappen van de Friese en de Hollandse schaatsen geïntegreerd. Op basis van het doorlopermodel werden speciale modellen als laagspringers en houten noren ontwikkeld.

Hollandse baanschaatsen

Zoals hierboven al werd aangeduid, legden de Hollandse smeden meer dan de Friezen iets eigens in de vormgeving van hun producten. Dat maakt ze buitengewoon aantrekkelijk voor verzamelaars. Doordat verscheidene smeden hun schaatsen van een merkteken voorzagen, weten we door wie en waar deze schaatsen werden gemaakt. Ook werd vaak reclame gemaakt met de plaatsnaam als uithangbord. Veel schaatsen zonder merktekens kunnen qua vormgeving eenvoudig worden geassocieerd met het werk van de wel met naam en plaatsnaam bekende smeden. Zo is in verzamelaarskringen de gewoonte ontstaan om te spreken over bijvoorbeeld schaatsen van het Ouderkerkse, Waddinxveense of IJlster model.

Stalen noren

Eind 1800 werden in Noorwegen in buizen gevatte schaatsijzers uitgevonden. De buizen maakten dunnere en langere ijzers mogelijk. Dit soort schaatsen werd onder wedstrijdrijders al snel populair. Jaap Eden behaalde er zijn successen mee. Na de Tweede Wereldoorlog experimenteerde Co Lassche met het metaal van Amerikaanse voedingsblikken om een goedkope 'stalen' schaats te maken. Hij vond in Jaap Havekotte (toen een niet-onverdienstelijke wedstrijdrijder) een enthousiaste promotor. Daarmee werd de kiem gelegd voor het nu wereldwijd bekende merk Viking. Voor de "gewone man" waren stalen noren echter veel te duur. Omdat houten schaatsen wel betaalbaar waren, bleven ze nog tot rond 1970 de Nederlandse schaats bij uitstek.